Bombardement berooft familie Eggink van drie zusjes
door Niek Megens
Nog steeds ruikt Maria Sieders-Eggink de rook en het stof als ze foto’s ziet van 14 oktober 1944, die zwarte dag waarop Zutphen zwaar werd getroffen door geallieerde bommen. Aan het bekijken van films en foto’s van die dag heeft ze doorgaans weinig behoefte. „Ik zie de film nog altijd voor me en die gaat nooit weg.”
De familie Eggink woont op een mooie plek in het centrum van Zutphen. Aan het Broederenkerkplein bestieren de ouders van Maria een zuivel- en kruidenierswinkel. Achter de winkel gaat het pand over in een stadsboerderij, waarvan de achterzijde uitkomt op de toenmalige Apenstert, een zijstraatje van de Rozengracht. „We hadden het goed”, blikt Maria terug. „Moeder zorgde er altijd voor dat we netjes gekleed gingen.” De Egginks vormen met elf kinderen een groot gezin. „Wij woonden precies tegenover de Broederenkerk en hadden goed zicht op wie daar naar binnen ging”, weet Maria nog. Haar jeugd omschrijft ze als zorgeloos. „Ik speelde vaak in de buurt, bijvoorbeeld met Annie en Toos Dekker. Kinderen uit de Apenstert.” Ook speelde ze wel eens met joodse kinderen uit de Barlheze. „Tot die werden weggevoerd. Ik herinner me nog dat ze opgewekt zeiden: ‘morgen mogen we met de trein’. Daarna heb ik ze nooit meer gezien.”
Zaterdag de veertiende oktober begint ook als een gewone dag. De elfjarige Maria speelt met haar vierjarige zusje op zolder. Dan hoort ze de vliegtuigen aankomen. „De jongens beneden riepen: ‘pas op, daar komen bommenwerpers!’ Meteen kwam de klap. Ik greep m’n zusje bij de arm terwijl de kalk van de muren sprong. De deuren lagen al op de grond.”
Onder in de winkel staat haar moeder op dat moment de klanten te helpen. Als de bommen vallen raakt een vrouw in paniek. Ze schreeuwt om hulp als ze beseft dat haar baby even verderop bij haar moeder is in de Barlheze. Moeder Eggink laat de vrouw binnendoor gaan, zodat ze via de achteringang de Apenstert kan bereiken om zo sneller in de Barlheze te zijn. Het mag niet baten. Zowel de vrouw als de baby en grootmoeder in de Barlheze komen om het leven tijdens het inferno. Moeder Eggink stuurt haar kinderen intussen naar de schuilkelder van café Huiskens aan het Broederenkerkhof. „Daar ging ik met mijn zusje naar toe. Zij kreeg onderweg nog een granaatscherf in haar bil.”
Moeder Eggink vraagt aan twee wat oudere dochters - Geertruida (15) en Harmina (13) - om snel naar de Apenstert te gaan, want daar speelt de zesjarige Petronella. Wanneer zij in de Apenstert aankomen wordt geroepen: ‘ga naar binnen, de vliegtuigen komen terug!’. Als de zusjes aan die oproep gehoor geven, krijgt de stadsboerderij van Eggink een voltreffer<NO1> te verwerken<NO>. De meisjes zijn kansloos.
Als de bommenwerpers zijn overgevlogen, kruipen moeder Eggink en haar dochters uit de schuilkelder. Ze weten niet wat ze zien. „Alles lag in puin. Het was verschrikkelijk.” Meteen gaan ze op zoek naar de drie vermiste zusjes. De hoop vervliegt al snel als ze zien dat het Broederenkerkplein en de Apenstert volledig zijn geruïneerd. Desondanks klimt moeder Eggink over het puin op zoek naar haar dochters. Ze worden niet gevonden. Pas twee dagen later halen hulpverleners de verminkte lichamen van de twee oudste meisjes onder het puin vandaan. Ze waren niet verder gekomen dan de gang van de stadsboerderij. „Mijn jongste zusje is pas drie weken later gevonden in de garage van Van Striep in de Apenstert”, vertelt Maria. „De eigenaar vond Petronella toen hij op zoek was naar het kunstgebit van zijn vrouw.” Het meisje lag er ‘keurig’ bij, zegt Maria. „Ze had nog een staartje in heur haar.”
Zo is het gezin Eggink ineens bruut beroofd van drie dochters, hun woning en bedrijf. „Gelukkig hadden we familie in Zutphen.” Met drie zusjes verhuist Maria naar haar grootvader aan de Zaagmolenweg. De rest van het gezin vindt tijdelijk onderdak aan de Emmerikseweg. „Later kregen we een woning toegewezen aan de Komsteeg. Daar hadden NSB’ers gewoond, die waren gevlucht na Dolle Dinsdag.” Het lot is de familie Eggink weer niet goed gezind. De NSB’ers staan ineens weer voor de deur en eisen de woning op. „Het waren best aardige mensen, ze mochten bij ons blijven eten. Maar na het eten gingen ze zo maar naar boven om te rusten. ‘Hoe moet dat nu met ons?’, dachten wij.” Vader Eggink stapt boos naar de Zutphense burgemeester Tesebeld, maar aangezien die zelf NSB’er is, heeft de familie weinig hoop. Als Tesebeld geen helpende hand toesteekt, besluit de familie uit te wijken naar Eerbeek. Maar weer is er pech; de beoogde woning wordt geraakt door een V1-raket. Weer moet de familie op zoek naar een onderkomen. Dat vinden ze uiteindelijk in Brummen bij ’t Vosje. „Daar hebben we tot augustus 1945 gewoond.” Via een tijdelijk huis in de Laarstraat vestigt de familie zich uiteindelijk aan de Weg naar Laren. Hier gaat Maria haar moeder bijstaan in de kruidenierswinkel, terwijl vader Eggink zijn vee stalt bij de joodse begraafplaats, waar de Zutphense stadsboeren terecht kunnen. Over de dood van de zusjes spreekt men in huize Eggink weinig, zegt Maria. „We hadden elkaar niet veel te vertellen. We hebben immers allemaal hetzelfde meegemaakt. Er heerste een sfeer van ‘laten we maar gewoon aan het werk gaan’.” Eén keer, herinnert Maria zich, breekt haar vader. „Na het eten lazen we uit de bijbel. Ineens barstte hij in snikken uit.” Tranen wellen ook nu nog op in haar ogen als ze dit vertelt. „Voor een kind is het heel erg als je je eigen vader ziet huilen.” Hoewel er geen foto’s meer bestaan van haar zusjes, kan Maria ze nog helder voor de geest halen. „De meeste familiefoto’s zijn vernietigd bij het bombardement. Het enige tastbare wat ik nog van mijn zusjes heb, zijn drie plukjes haar.”
Reacties
Nieuwe reactie inzenden