Misverstand over fiets wordt bakker Levison fataal
door Niek Megens
Vandaag de dag steggelen politiek en ondernemers in Zutphen over openstelling op zondag. In afwachting van een serieuze oplossing voor de langere termijn heeft de gemeente onlangs per loting bepaald welke supermarkten op de dag des heren hun waren mogen verkopen. Voor de oorlog was het heel normaal dat winkels zondags open waren. Handelsstad Zutphen telde toen veel joodse winkeliers; zij deden op sabbath (zaterdag) de deuren dicht en compenseerden dat door op zondag open te zijn. De joodse gemeenschap zelf telt voor de oorlog zo’n vier- tot vijfhonderd leden. Klandizie was op die manier verzekerd, maar ook veel niet-joodse Zutphenaren wisten de weg naar de joodse winkels te vinden. Veel van die winkeliers drijven hun zaak in het zogenaamde Barlhezekwartier, het wijkje rondom de gelijknamige straat in het centrum van de stad. Deze wijk is in het vooroorlogse Zutphen één van de meest bruisende delen van de stad. Zo gelden de Rozengracht en de Barlheze als A-locaties, straten die je wel móet passeren als je vanuit het station naar de markten wilt. Een van die joodse winkeliers is David Levison. Op Rozengracht 18 heeft hij een bakkerswinkel, die in die tijd bekend staat als zeer nette zaak. „Ik herinner me een grote etalage die altijd vol stond met de heerlijkste gebakjes”, zegt Rietje ter Stege-Versteeg uit Vorden. „Ook hadden ze veel zoetwaren.” Als meisje uit De Hoven steekt Rietje geregeld de IJsselbrug over voor boodschappen. „Op zondag haalden we altijd brood bij Levison.” De bakker brengt zijn waren ook rond met de transportfiets. Dat deze fiets Levison’s lot indirect zou bezegelen, kan hij begin augustus 1942 nog niet bevroeden. In die maand moeten alle joodse Zutphenaren hun fiets inleveren bij de bezetter. Het is Levison niet duidelijk of hij zijn transportfiets ook moet aangeven. Hij wendt zich telefonisch tot de burgemeester. Die denkt bij de term transportfiets aan een driewieler met laadbak, in feite geen fiets als zodanig. Hij stelt Levison gerust, van hem hoeft de bakker zijn fiets niet in te leveren. Diezelfde burgemeester schrikt zich een hoedje als hij op 4 augustus verneemt dat Levison is gearresteerd omdat hij zijn fiets niet heeft ingeleverd. Er is sprake van een verschrikkelijk misverstand. Wat blijkt? Levison’s transportfiets had maar twee wielen. De burgemeester stelt alles in het werk om Levison vrij te krijgen. Hij schrijft onder meer een brief aan de Sicherheitspolizei waarin hij het misverstand nog eens uitlegt en vraagt om vrijlating. Het mag niet baten. Levison wordt op 13 augustus overgebracht naar Arnhem. Ondanks pogingen van advocaten om zijn onschuld aan te tonen, besluiten de Duitsers op 24 augustus dat hij schuld heeft. Wel is er een kleine kans dat hij naar het werkkamp Mauthausen gaat in plaats van een vernietigingskamp in Polen. Uiteindelijk zal hij in Mauthausen overlijden, op 27 januari 1943. Zijn echtgenote Jansje Levison-de Levi sterft een kleine maand later in Auschwitz. De winkel van Levison aan de Rozengracht is geen lang leven meer beschoren. Van de joodse gemeenschap is na de oorlog niet veel over. Slechts 42 Zutphense joden keren terug uit de kampen.
Op elke straathoek een joodse slager
ZUTPHEN Wie nu door de Barlheze loopt, ervaart een charmant, maar stil straatje. Je kunt je haast niet voorstellen dat deze oude passage ooit één van de meest ondernemende straten van Zutphen was. De Barlheze was geliefd, onder meer vanwege de vele café’s. Nu nog kennen veel oudere Zutphenaren de term ‘hossen in de Barlheze’ (in Zutphens plat de B’léze); het grote feest op de avond van Koninginnedag. De straat werd dan vanaf tien uur ’s avonds in beslag genomen door een feestende menigte. De Barlheze geldt voor de oorlog als een echte winkelstraat, met veel joodse winkeliers. Van de vijf slagers in de Barlheze zijn er liefst vier joods. Dormits is wellicht de bekendste joodse slagersfamilie. Zij heeft op zeker moment zelfs twee winkels in de Barlheze. De ‘Vleeschhouwerij’ van Jacob Dormits zit op nummer 99 . Zijn broers Herman en Jozef hebben een slagerij op nummer 33 en later op nummer 14. Nog voor de oorlog uitbreekt verhuizen zij naar de Nieuwstad.
Jacob Dormits blijft ook in de oorlogsjaren in de Barlheze. Zijn motto luidt: ‘laat bloemen uw tolk zijn en Jacob Dormits uw slager’. Hij verkoopt uiteraard kosjer vlees aan Zutphense joden, maar mag in tegenstelling tot enkele andere joodse slagers ook niet-joodse klanten tot zijn kring rekenen.
Het gezin Dormits mocht een Amsterdamse logé verwelkomen in de persoon van Meijer Groen, de latere voorzitter van de Joodse Gemeente Zutphen. Groen karakteriseert het gezin als ‘provinciaals vroom’, het waren behoudende mensen. Maar ook hartelijk. Groen heeft er een fijne tijd want er is altijd genoeg te eten en te snoepen. Het gezin woont ruim en kent geen armoede. Vlees is er uiteraard voldoende.
Terwijl Groen in Zutphen zijn draai vindt, in 1942 trouwt en vervolgens terugkeert naar Amsterdam, loopt het slecht af met het gezin Dormits. Vader Jacob en moeder Heintje komen in 1943 om het leven in de gaskamers van Sobibor. De dochters Rijntje en Mietje overlijden in datzelfde jaar Auschwitz en zoon Bram sterft in Schöppenitz. Meijer Groen overleeft het Tsjechische kamp Theresiënstadt en keert na de oorlog terug naar Zutphen, waar hij een nieuw leven opbouwt.
De Barlheze is na de oorlog onherkenbaar veranderd. Vrijwel alle joden die in de straat woonden en werkten zijn vermoord. Het bombardement van 1944 heeft vooral verwoestingen aangericht in het noordelijk deel van de straat. Van de slagerij van Dormits is niets over. Na de oorlog zet men het hossen nog even voort. Zo gezellig als vroeger wordt het echter nooit meer. In 1951 resteert nog slechts één kroeg. <TH>
Bronnen: Jaap Riemens, Dat overleef ik wel, Meijer Groen, het bewogen leven van een joods Zutphenaar en Dick Eikelboom, Slagerijen in de eerste helft van de 20ste eeuw in Zutphen, 3-2009
Reacties
Nieuwe reactie inzenden